I Vrouwlief: De verstuiking van mijn rechtervoet begint me nu echt de keel uit te hangen. Anatomisch gesproken, danig mal natuurlijk, maar het is werkelijk zo. Fietsen gaat goed, maar lopen is na een paar honderd meter een crime.
Ik: Geduld, geduld! Je weet wat de dokter gezegd heeft: er is niks gebroken, er is niks gescheurd, zoiets moet nu eenmaal zijn tijd hebben en voor mensen van onze jaargangen veel tijd.
Vrouwlief: Ik denk wel eens: als ik nu eens een stok had, zo eentje met een vlakke kruk waar ik mijn hand goed omheen kon leggen; dan had ik steun, dan was ik voor een deel uit de zorgen. Waar zou ik zo'n apparaat kunnen krijgen?
Ik: Probeer het eens in de zelfzorgwinkel. Per slot van zake zijn we niet voor niks lid van de Vitras.
Vrouwlief: Nee, dank je wel, zeg! Daar hebben ze van die lompe, uitschuifbare gevallen van aluminium. Daar ga ik niet mee de hort op. Ik ga er niet bijlopen als een oorlogsinvalide uit Uruzgan.
II
Tegelijk met mij verlaat een dametje de supermarkt. We kijken elkaar aan. Ze moet wel een lente of 85 tellen. Drommels, wat is ze mooi! Van die aparte schoonheid die het voorrecht -- en het geheim! -- van die leeftijd is. De vreugden uit haar bestaan zijn op haar gelaat gekristalliseerd tot een teder licht en het leed gesublimeerd tot een glans van berusting. En kijk, ze leunt uitgerekend op zo'n stok als vrouwlief wil hebben. Met een touwtje door een gaatje in de kruk tegen het vallen.
Ik: Mevrouw, mag ik u wat vragen? Mijn echtgenote zoekt precies zo'n stok. Waar heeft u de uwe op de kop weten te tikken?
Zij: Ik heb hem geërfd van mijn moeder zaliger. En die had hem weer van haar moeder. En mijn oma had hem van een zuster, die er jaren mee heeft gelopen. Ik kan u dus niet helpen. Met een variant op Marsman: 'U bent eeuwen en eeuwen te laat geboren.' De schat! Nog goed belezen ook.
III
Bij thuiskomst rapporteer ik: ik zag toevallig een ouwetje met precies zo'n stok als waarop jij je zinnen hebt gezet.
Vrouwlief: Je hebt toch zeker gevraagd waar zij hem vandaan had?



