dinsdag 11 oktober 2011

Lang over kort (4)



In een lange reeks over korte verhalen mag de Brit George Gissing (1857-1903) niet ontbreken. Hij heeft er welgeteld (door Google, niet door mij) 111 geschreven. Op mijn onvolprezen e-reader lees ik momenteel de bundel ‘The House of Cobwebs and Other Stories’, dat posthuum is verschenen in 1906. In het verhaal ‘A Lodger in Maze Pond’ trof mij onderstaande passage.

Ik geef Gissings opvattingen voor wat ze waard zijn, maar interessant vond ik dat hij hier het een en ander van zich af tracht te schrijven.

Als student raakte hij in de ban van een prostituee. Hij wilde haar redden, had echter geen geld, begon kleine bedragen van collega’s te stelen, werd betrapt en tot een maand dwangarbeid veroordeeld. In 1877 trouwde hij met een meisje uit de arbeidsklasse, dat aan de drank was. De twee scheidden in 1883, de alcohol sleepte haar vijf jaar nadien ten grave. Drie jaar later huwde hij een arbeidster die geestelijk niet helemaal in orde was. De echt hield slechts zes jaar stond, zij overleed in 1902 in het gekkenhuis.

Hier het citaat:

‘I am a fool about women. I don't know what it is--certainly not a sensual or passionate nature; mine is nothing of the sort. It's sheer sentimentality, I suppose. I can't be friendly with a woman without drifting into mawkish tenderness--there's the simple truth. If I had married happily, I don't think I should have been tempted to go about philandering. The society of a wife I loved and respected would be sufficient. But there's that need in me--the incessant hunger for a woman's sympathy and affection. Such a hideous mistake as mine when I married would have made a cynic of most men; upon me the lesson has been utterly thrown away. I mean that, though I can talk of women rationally enough with a friend, I am at their mercy when alone with them--at the mercy of the silliest, vulgarest creature. After all, isn't it very much the same with men in general? The average man--how does he come to marry? Do you think he deliberately selects? Does he fall in love, in the strict sense of the phrase, with that one particular girl? No; it comes about by chance--by the drifting force of circumstances. Not one man in ten thousand, when he thinks of marriage, waits for the ideal wife--for the woman who makes capture of his soul or even of his senses. Men marry without passion. Most of us have a very small circle for choice; the hazard of everyday life throws us into contact with this girl or that, and presently we begin to feel either that we have compromised ourselves, or that we might as well save trouble and settle down as soon as possible, and the girl at hand will do as well as another. More often than not it is the girl who decides for us. In more than half the marriages it's the woman who has practically proposed. She puts herself in a man's way. With her it rests almost entirely whether a man shall think of her as a possible wife or not. She has endless ways of putting herself forward without seeming to do so. As often as not, it's mere passivity that effects the end. She has only to remain seated instead of moving away; to listen with a smile instead of looking bored; to be at home instead of being out,--and she is making love to a man. In a Palace of Truth how many husbands would have to confess that it decidedly surprised them when they found themselves engaged to be married? The will comes into play only for a moment or two now and then. Of course it is made to seem responsible, and in a sense it _is_ responsible, but, in the vast majority of cases, purely as an animal instinct, confirming the suggestion of circumstances.'

zondag 9 oktober 2011

Lang over kort (3)



Nog even over Margriet de Moor.


Zij komt uit Noordwijk, alwaar zij in 1941 is geboren.

Op het conservatorium studeerde zij piano en solozang, elders kunstgeschiedenis en archeologie, maar zij heeft zich ontpopt als auteur van romans en korte verhalen. Haar oude liefde is zij overigens trouw gebleven: met haar gedegen kennis van de muziek weet zij in veel van haar werk op intrigerende wijze te spelen.


Een beetje jammer vind ik dat zij, kennelijk zonder het te beseffen, soms slecht schrijft. Wat bijvoorbeeld te denken van een monstrum als (in het overigens knappe 'Variations pathétiques'): 'Dan kon het gebeuren dat ze 's nachts in bed -- verzonken in herinneringen en dromen, cirkelend rond een man die ze nog nooit had gezien maar die na een onmerkbaar procédé toch al grotendeels bestond uit haar lotgevallen, uit wat vaststond, wat plechtig besloten en ondertekend was, uit de verstrooide vrouw Marja -- ineens tot zichzelf kwam, de waarschijnlijkheid vermoedend dat ze geschift was, krankzinnig eigenlijk -- hoe noodzakelijk was het om haar voeten weer eens even op de grond te kunnen zetten -- en dus achtte zij het raadzaam om dit getalenteerde kind zo nu en dan een les tussendoor te geven.'


Ik schat zo dat, Cees Nooteboom uitgezonderd, zij de meest in het Duits vertaalde Nederlandse auteur is. En het is een vooraanstaande Duitse recensent die haar het hardst heeft aangepakt. Zij hebben elkaar eens ontmoet -- op een boekenbeurs, meen ik me te herinneren -- en bij die gelegenheid heeft zij hem gevraagd wat hij toch tegen haar had. Hij antwoordde dat hij niet tegen haar als persoon maar tegen sommige aspecten van haar oeuvre van leer trok. Misschien had hij zich ook gestoord aan lelijk proza als bovenstaand citaat...

zaterdag 8 oktober 2011

Lang over kort (2)



Met Margiet de Moor ben ik nooit weg kunnen lopen. (Ja, lollig hoor! Nee, ook niet in overdrachtelijke zin.) Maar een van mijn zeer weinige aardige eigenschappen is dat ik gul ben met herkansingen. Toen ik dan ook in de boekenhoek van onze kringloopwinkel de kloeke bundel 'Verzamelde verhalen' van MdM zag staan, sloeg ik onmiddellijk, de kijkbuistronies met hun jobstijdingen over onze koopkracht voor niets tellend, en onvervaard toe.

Gewoonlijk prijs ik de dag niet vóór het avond is, maar in dit geval haast ik me te verkondigen dat ik, hoewel ik pas het eerste verhaal heb gelezen, geen spijt heb van mijn € 1,30. Het draagt de titel 'Variations pathétiques' en heeft als hoofdpersoon een pianolerares. Zij heeft twee teleurstellende relaties achter de rug en is nu verwikkeld in een verhouding met een agenda- en kalenderkarakter. Dan krijgt zij kattenbelletjes en mondelinge berichtjes van de vader van een leerling. Ze lijken zuiver zakelijk. Maar zijn ze dat wel? Bezit bijvoorbeeld de tip om op zekere avond klokke tien op Hilversum 4 naar Ravels 'Valses nobles et sentimentales' te luisteren, niet een dubbele bodem, betreft het hier niet een uitnodiging voor een amoureus rendez-vous? Haar fantasie slaat op hol, waartoe deze, zoals bekend, een handje heeft in hartsaangelegenheden. Uiteindelijk blijkt onze lerares zich falikant te hebben verkeken. Knap, pakkend verhaal.

Foto: Margriet de Moor is veel in het Duits vertaald. Haar romandebuut 'Eerst grijs dan wit dan blauw' uit 1991 is in Duitsland zelfs als luisterboek uitgegeven.

vrijdag 7 oktober 2011

Minder koopkracht voor iedereen





Een gure economische winter staat voor de deur. Ieders koopkracht krijgt een oplazer. Deze mevrouw, die letterlijk nu nog vooruitgaat, gaat er figuurlijk gesproken volgend jaar op achteruit. Zij went er zich nu reeds aan, door haar onderbroek en memmestiepel te vervangen door tatoeages en nokini. En in plaats van dat biertje zal zij zich in 2012 moeten laven met gemeentepils.

Lang over kort (1)



'Een rustig baasje zult u nooit worden,' zei mij eens een controlerend geneesheer. Schrandere kerel! Tot overmaat van ramp beoefende ik met hartstocht een vak dat bij uitstek aanzet tot jakkeren en jagen. Geen wonder dat ik er vóór mijn 'Drees' slechts zelden toe kwam mij eens lekker in een luie stoel te vermeien in een heuse roman. Mijn leeshonger stilde ik meestal met korte verhalen.

Daarvan prijkt dan ook een industriële hoeveelheid op mijn boekenplanken. Een greep in het wilde weg: alle 'short stories' (vier pillen) van William Somerset Maugham; alle veertien delen 'Novelle per un anno' van de Siciliaan Luigi Pirandello; alle 'racconti' van zijn eilandgenoot Giovanni Verga (foto); alle korte verhalen van J.M.A. Biesheuvel, Remco Campert, Belcampo, F.B. Hotz, W.F. Hermans; alle 'Erzählungen' van Heinrich Böll. En dan heb ik het nog niet eens over de tientallen bloemlezingen.

Geen vrouwen? Nou en of! Over hen in volgende afleveringen.

Ik heb die vele werken (nog) lang niet allemaal gelezen. Maar toch aardig wat. Hieraan hoop ik ook de komende weken een reeks blogs te wijden.

(wordt vervolgd)

donderdag 6 oktober 2011

Mag het een onsje minder zijn?



In ben in zoverre een typische Nederlander dat goede doelen zelden tevergeefs een beroep op mijn knip doen. Ik word wel eens boos op zo'n directeur van een charitatieve instelling die een salaris opstrijkt waarvan je er drie Balkenendes op kunt nahouden, maar uiteindelijk denk ik dan toch: vort maar!


De laatste tijd erger ik me lichtelijk aan het feit dat het stormloopt. Ziehier de goede doelen die zich de afgelopen acht dagen bij mij hebben gemeld, in de vorm van collectanten, bedelbrieven en spotjes op radio of televisie: Kinderpostzegels, Nierstichting, Dierentehuis Z., Dierenbescherming Z., Fonds Geestelijk Gehandicapten, Fonds Geestelijke Gezondheid, Slachtofferhulp, Trombosestichting.


Ik heb het dan nog niet over de kerk, waarin elke zondag de schaal wordt aangereikt voor de noden van de eigen parochie plus voor die van arme donders in Verwegistan. Bovendien steek ik bij elke kerkgang enkele kaarsen op voor godloze vriendinnen, in de hoop dat zij ondanks alles straks in het cherubijnen- en serafijnenkoor de eeuwige zaligheid deelachtig mogen worden.

Hella Haase is goed, maar...



Ben ik de enige wie het is opgevallen? Ik vond dat na het verscheiden van Hella Haasse de schijnwerpers van de publiciteit nogal snel uitfloepten. Dat was na het overlijden van Michael Jackson, Amy Winehouse, Harry Muskee en zelfs André Hazes wel anders.

Ook meende ik in de necrologieën onder de tegenwoordig verplichte stortvloed van overtreffende trappen een nogal zuinige ondertoon te beluisteren. In 'Trouw' merkte huiscriticus Rob Schouten niet zonder korzeligheid op dat Hella Haasse ‘tot vervelens toe’ was gekenschetst als de 'grand old lady' van de Nederlandse bellettrie.

Een en ander verbaast me eigenlijk niet. Ik vraag me af of het de recensenten plotseling duidelijk is geworden dat zij zich enkele decennia wat hebben overschreeuwd.

Mevrouw Haasse debuteerde in 1948 met de vertelling 'Oeroeg'. Dat is zonder meer een klein meesterwerk. Als zij alleen dat had geschreven, had zij voor eens en voor altijd een plaats in bloemlezingen en naslagwerken verdiend. Van het vele dat sindsdien uit haar pen is gevloeid, heb ik aardig wat gelezen, maar ik heb nooit iets aangetroffen dat het peil van 'Oeroeg' heeft gehaald. Dat geldt naar mijn smaak voor haar historische romans, voor 'Huurders en onderhuurders', voor 'Berichten van het Blauwe Huis', 'Cider voor arme mensen' en stellig ook voor het gekunsteld-gewrongen 'De meester van de neerdaling'.

'Heren van de thee' dan? Naar ik heb begrepen, zijn er 200.000 exemplaren van verkocht. Maar dat zegt mij niets; van 'Twee vrouwen' zijn er bijna 1 miljoen verspreid en toch is dat niet meer dan een roman voor keukenmeiden die hogerop willen. Ik ben zo vrij te vinden dat 'Heren van de thee' het niet kan halen bij 'Rubber' van Madelon Székely-Lulofs en al helemaal niet bij het Indische werk van Beb Vuyk en Maria Dermoût.

Men zal mij tegenwerpen: dat ligt aan u, dat ligt aan uw bril. Misschien. Toch ben ik geen onervaren lezer: ik buig mij over Proust in het Frans en heb alles van Musil gelezen, in het Duits. (Ik blijf het moeilijk hebben met 'Ulysses'; maar Joyce was dan ook gek; zei Evelyn Waugh.)

Het heengaan van Hella Haasse is voor mij aanleiding geweest een van haar boeken dat ik al jaren op de plank had liggen, maar waaraan ik nog nooit was toegekomen, ter hand te nemen: 'De ingewijden' uit 1957. En dit illustreert getrouw mijn al lange tijd gevestigde indruk van haar werk: Hella Haasse is altijd goed.; maar goed in de zin van degelijk. Het is allemaal knap bedacht. Keurig-netjes, verzorgd opgeschreven. Zorgvuldig gedocumenteerd (reken maar dat elke braamstruik waarmee zij de ruïne van een Griekse tempel stoffeert, er werkelijk staat of althans heeft gestaan.) Allemaal zeer prijzenswaardig en een voorbeeld voor menig hedendaags romancier (m/v).

Maar ik blijf het betreuren dat het maar niet wil vonken, vlammen, schitteren, gloeien. Vooral mis ik node de noten van fijne ironie die zo bekwaam worden aangetokkeld door Britse schrijvers (en schrijfsters!)

Ik weet niet of ik 'De ingewijden' uitlees...