Posts tonen met het label Strauss. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Strauss. Alle posts tonen

woensdag 24 oktober 2007

Een andere Richard, een andere Strauss (4 en slot)

Schuch

Der Rosenkavalier ging op 26 januari 1911 in première in het Königliches Opernhaus te Dresden. De belangrijkste solisten droegen namen die nu alleen muziekhistorici nog iets zullen zeggen, maar destijds eerste garnituur waren. Ook het Driemanschap -- dirigent, regisseur en decorbouwer -- waren van de bovenste plank, respectievelijk: Ernst von Schuch, Max Reinhardt en Alfred Roller.

De première was een daverend succes. Wekenlang reden speciale treinen uit de grote steden, zelfs vanuit Praag, naar Dresden. En weldra veroverde de opera de planken van andere steden in Duitsland en het buitenland, Wenen en Milaan om te beginnen.

Vóór Der Rosenkavalier had Strauss al naam gemaakt met twee andere opera's: Salome en Elektra. Maar die naam was in een van de zangwalhalla's, Wenen, niet onverdeeld vleiend. Een luidruchtige factie voerde een hetze tegen de componist met leuzen als: 'Raus mit Strauss aus dem Haus (dat sloeg op de Hofoper, de voorloper van de Staatsoper) en: 'Indien Richard, dan Wagner; indien Strauss, dan Johann.' Maar Der Rosenkavalier heeft het pleit te zijnen gunste beslecht.

De illustratie toont een schilderij uit 1912 van Robert Hermann Sterl: Ernst von Schuch dirigeert Der Rosenkavalier. Het hangt in de Alte Nationalgalerie te Berlijn.

maandag 22 oktober 2007

Een andere Richard, een andere Strauss (3)

Strauss



Eén van de charmes van Der Rosenkavalier is de virtusositeit waarmee Richard Strauss
het orkest hanteert. Dat valt ook degenen die met zijn idioom niet vertrouwd zijn, onherroepelijk op.

Het onbetwiste hoogtepunt van de opera wordt echter gevormd door de laatste 12 minuten: het terzet van de Marschallin, Octavian en Sophie, Hab' mir's gelobt, met zijn zinderende tutti van het orkest, en het daaruit voortvloeiende duet van de twee jonge gelieven, Ist ein Traum, kann nicht wirklich sein, met aan het slot de begeleiding van celesta en etherische staccati van de dwarsfluiten. Ik heb geleerd dat je zuinig moet zijn met overtreffende trappen, want anders riskeer je dat je al aan de nok zit, terwijl je nog verder moet klimmen, maar ik durf te zeggen dat deze scène behoort tot het mooiste dat ooit voor de stem geschreven is. De componist zelf vond het zijn beste operamuziek. Volgens testamentaire beschikking werd het uitgevoerd bij zijn begrafenis.

(slot volgt)

Foto: Richard Strauss werd op 11 juni 1864 geboren in München en overleed op 8 september 1949 in Garmisch-Partenkirchen.

zaterdag 20 oktober 2007

Een andere Richard, een andere Strauss (2)

Octavian_1Richard Strauss was een erudiet man, vertrouwd met de oude en moderne klassieken. Bovendien -- en dat gaat niet altijd samen, ook niet bij een Beier -- had hij gevoel voor humor. Hij was geen familie van de walsenkoningen Johann Strauss Vater, Johann Strauss Sohn en Eduard Strauss. Misschien om degenen die dat niet wensten te geloven, in het ootje te nemen, heeft hij voor Der Rosenkavalier een flink brok walsmuziek gecomponeerd en uitgerekend als begeleiding en herkenningsmelodie van de lompe, plompe beer op sokken baron Ochs auf Lerchenau. Bovendien heeft hij er een dubbele bodem in gelegd in de vorm van een anachronisme, want in de rococotijd waarin de opera speelt, bestond de wals nog niet; men danste toen op zijn voorloper de Ländler. (In latere jaren heeft Strauss uit de operapartituur enkele orkestsuites gepuurd, waarvan de heerlijk verende en wervelende Walzerfolge een belangrijk deel uitmaakt).

Voor wie zich heeft beperkt tot de klassieke opera met haar overzichtelijke afwisseling van recitatieven, aria's, ensembles en instrumentale nummers, is het met Der Rosenkavalier even wennen. Het werk (dat een kleine drieëneenhalf uur duurt) bestaat goeddeels uit Sprechgesang, een begrip dat wellicht het best omschreven kan worden als een melodieloos declameren-op-muziek. Aria's ontbreken trouwens geenszins. Maar ze zijn losser van makelij dan die van Mozart bijvoorbeeld (Strauss wilde overigens met zijn opera 'iets mozartiaans' schrijven), om nog te zwijgen over de barokaria's van Händel.

Overigens had Strauss ook hier een aardigheidje te bieden. Op het lever van de Marschallin, waar kunstenaars, handwerkslieden, neringdoenden, intriganten en adellijke bedelaarsters hun opwachting maken, verschijnt ook een Italiaanse tenor. Voor hem heeft de componist een aria in de stijl van het onvervalste Italiaanse klaroenstotenwerk geschreven. Hij bedoelde het als een pastiche, maar die is hem zo goed gelukt dat tal van lyrische tenoren, van Richard Tauber tot Plácido Domingo, het kabinetstukje op hun repertoire hebben genomen.

(wordt vervolgd)

Foto: De Franse mezzosopraan Sophie Koch als Octavian. Zij won in 1994 een eerste prijs op het vocalistenconcours van Den Bosch.

dinsdag 16 oktober 2007

Een andere Richard, een andere Strauss (1)

Rosenkavalier

De immer lezenswaardige Sara van het weblog Ditjes en datjes schreef jongstleden donderdag langs het neusje weg over haar liefde voor de opera. (Alhier) Nu kan men bij mij zoiets niet ongestraft doen. Ik meldde mij onmiddellijk met een verzoek om nadere gegevens. Sara gooide er nog dezelfde dag een heuse log tegenaan. Als operaliefhebber (en als stille -- doch ongelukkige -- aanbidder van Sara) kan ik het natuurlijk niet minder doen en heb ik mijn potloodje geslepen voor enkele beschouwingen. Waarmee ik tevens een nieuwe categorie ten doop houd; haar motto -- Nu stelt het puick van zoete keelen -- is, zoals iedereen weet, het eerste vers van de Rey van Amsterdamsche Maeghden uit de Gijsbreght.

Sara memoreert een bezoek aan de opera Die Frau ohne Schatten van Richard Strauss. Nu wil het toeval dat hij een lievelingscomponist van me is. Vooral met zijn theaterwerken dweep ik. Die Frau ohne Schatten (Fr-o-Sch -- kikker, dus -- grapte Strauss zelf) heb ik nooit gezien, wel herhaaldelijk op cd beluisterd. Ik stel trouwens zijn Rosenkavalier veel hoger; tot mijn laatste snik zal ik verrukt denken aan een opvoering in mijn Weense jaren, in de Staatsoper uiteraard.

De librettist was een geniale Oostenrijkse schrijver: Hugo von Hofmannsthal (dezelfde van Fr-o-Sch overigens). Hij heeft een kostelijk verhaal uit de tijd van keizerin Maria Theresia geschreven, in een sappig Oostenrijks Duits. Een rijpere vrouw, Feldmarschallin Fürstin Werdenberg, heeft een jonge minnaar, graaf Octavian Rofrano. Zij worden bij het liefdesspel gestoord door een neef van de Marschallin, baron Ochs auf Lerchenau, een lomperik zoals er weinig zijn. (Zijn naam draagt hij terecht; die zou in het Nederlands 'Os op de Leeuwerikenweide' luiden). Ochs komt mededelen dat hij zich gaat verloven met een prille maagd, die zojuist het nonnenpensionaat achter zich heeft gelaten: ene Sophie von Faninal. Hij heeft zijn keuze op haar laten vallen, ofschoon haar vader pas recentelijk in de adelstand is verheven. Maar Ochs moet zijn blazoen vergulden. Faninal is schatrijk; hij heeft namelijk die Lieferung für die Armee, die in den Niederlanden steht). Graaf Octavian wordt bereid gevonden Sophie het verlovingsgeschenk van Ochs te gaan overhandigen: een schrijn met een zilveren roos. Tussen de twee jongelui is het natuurlijk liefde op het eerste gezicht, Ochs, die graag de katjes in het donker knijpt, wordt in een smadelijke val gelokt en de Marschallin, beseffend dat de jeugd de toekomst heeft, trekt zich discreet terug.

Ook los van de muziek (waarover de volgende keer) is het libretto fijnzinnige lectuur. Tot de parels behoren stellig de monologen van de Marschallin. In de eerste mijmert zij hoe voor haar, vers uit het internaat, een huwelijk was gearrangeerd en dat zij ooit een oude vrouw zal zijn: 'Hoe kan zoiets gebeuren? Hoe doet Onze Lieve Heer dat? Ik blijf toch altijd dezelfde. En als Hij het dan zo hoognodig moet doen, waarom laat Hij er mij dan bij toekijken, met een zo heldere geest? Waarom verhult Hij het niet voor me? Dat alles is geheimnisvol, zo geheimnisvol. En men kan niets anders doen dan er zich bij neerleggen.'

In haar tweede alleenspraak, kort daarop, filosofeert zij over de tijd: 'Het is zo'n raar iets. In het leven van alledag is het helemaal niets. Maar dan, plotsklaps, merk je niets als de tijd. Hij is om ons heen, hij is ook in ons. In de gezichten ruist hij, in de spiegel, daar ruist hij, achter mijn slapen vloeit hij. En tussen jou en mij, daar vloeit hij weer, zonder enig geluid, als een zandloper... Vaak hoor ik hem vlieden, onweerstaanbaar. Vaak sta ik midden in de nacht op en zet de klokken stil, allemaal, allemaal.'

(wordt vervolgd)

Foto: Twee befaamde sterren van vroeger: Sena Jurinac als Sophie von Faninal en Hilde Güden als graaf Octavian Rofrano.