vrijdag 21 december 2007

Verslaggevers vroeger en nu

Lukas_1_3 Wie is Henk Kesler?

Henk Kesler is directeur van de KNVB.

Wat is de KNVB?

De KNVB is een gezelschap dat de belangen behartigt van het voetbal, een spel dat door de dichter, criticus, columnist en journalist (van 1920 t0t 1923 hoofdredacteur van de Nieuwe Arnhemse Courant) is gekenschetst als 'kinderachtig gerep achter de bal'. De baas van het beestenspul, Henk Kesler dus, heeft zich de woede van velen op de hals gehaald, doordat hij de dienders heeft uitgemaakt voor 'verwende kereltjes'; wegens hun actie voor meer euro's in het loonbuiltje zijn namelijk een paar potjes kinderachtig gerep achter de bal afgelast.

Wat is Trouw? Trouw is een uit het verzet tegen de nazi-bezetter voortgekomen landelijk dagblad van protestants-christelijke snit, dat vanochtend zijn reputatie te grabbel heeft gegooid, door te openen met een even geharnast als lijvig artikel over de 'schaamteloze kritiek van Kesler', die 'het voetbal boven de wet' zou plaatsen.

Waarom verlaagt de krant zich tot dit soort schandalen-, pardon: schandaaltjesjournalistiek?

De krant doet dit, omdat de redactie heeft begrepen dat wij aan het verworden zijn tot een volk van schier aan mobieltjes als Siamese tweelingen vastgegroeide leuteraars, die ook niets liever horen, zien en lezen dan geouwehoer.

Tweeduizend jaar geleden had je een verslaggever, ene Lukas, een Griek, die eigenlijk arts van zijn stiel was. Hij heeft een reportage geschreven die door talloze miljarden mensen is gelezen en die zo boeiend is dat zij nog altijd door miljarden wordt gelezen. Hij verhaalt daarin over herders die, 's nachts onder de blote hemel de wacht houdend bij hun kudde, van een engel het nieuws hoorden dat hun een redder was geboren, een baby, gewikkeld in doeken en liggend in een voederbak. Waarna de boodschapper gezelschap kreeg van een groep engelen en zij zongen: 'Ere aan God in den hoge en vrede op aarde aan de mensen van goede wil.'

zaterdag 15 december 2007

Nabrander over 'Vrouwen -- o, wat een edele schepselen!

Meredith_3_1 De reacties op mijn logje Vrouwen -- o, wat een edele schepselen! (klik) verdienen, zoals reeds aangekondigd, een nabrander.

Ik heb de passage in kwestie gekozen, omdat zij kenmerkend is voor George Meredith: zijn scherp psychologisch inzicht en zijn volstrekt unieke stijl of, zoals de beeldend kunstenaars wel zeggen, zijn eigen handschrift. Hij is wel afgeschilderd als duister en zelfs chaotisch. Dat lijkt me lelijk overdreven. Vaak moeilijk -- ja, dat wel. Je moet bij hem niet zelden zorgvuldig lezen. Maar dat vind ik eerder een pluspunt van formaat, want het verhoogt het genot. Wie geen moeite wil doen, kan nog altijd de tijd doodslaan met Heleen van Royen.

In de aangehaalde tekst beschrijft Meredith de eerste verliefdheid van een jongeman, Richard, en hij tuigt haar op, in een ware baaierd van woorden, met de attributen die wij allen kennen: zengende hartstocht, aan frenesie grenzende vertwijfeling, onredelijke eisen van soevereiniteit, van exclusiviteit en, ja, wreedheid; maar ook: adeldom.

Is Richard een dwingeland? Geenszins! De sterkste partij is zonder twijfel Lucy, het voorwerp van zijn passie. Met de vrouwelijke wapenen van tederheid, begrip, zachtmoedigheid en realisme brengt zij hem tot het inzicht dat zijn voorstellingen onwerkelijk en zijn verwijten huichelachtig zijn, met de slotsom dat hij als in een hymne uitroept: Oh what noble creatures women are!

Ik vind dat prachtig proza. Ik kan er geen doktersroman in zien en ik vind Lucy ook allesbehalve schaapachtig. (Ik moest denken aan Schopenhauers uitspraak: Der Mann erlangt die Reife seiner Vernunft und Geisteskräfte kaum vor dem acht und zwanzigsten Jahre; das Weib mit dem achtzehnten). Meredith werd zeer bewonderd door Doris Lessing, toch geen gering talent, Nobelprijs 2007.

Maar het zijn allemaal slechts meningen tegenover meningen. Iedereen beleeft het grote avontuur van het lezen op eigen wijze. Maar goed ook, want dat houdt de muziek in het leven.

vrijdag 7 december 2007

Het gewicht van een dameshandschoen

Balzac_1 Voor het hart bestaan er geen onbeduidende gebeurtenissen. Het hart maakt van alles iets groots. Het legt op de ene kant van de weegschaal de val van een veertien jaar oud keizerrijk en op de andere zijde de val van een dameshandschoen. En bijna altijd weegt de handschoen meer dan het keizerrijk.

Honoré de Balzac, die zijn pappenheimers kende, schreef dit in zijn roman La duchesse de Langeais. De auteur, één van de groten der wereldliteratuur, werd in 1799 geboren te Tours en overleed in 1850 in Parijs.

vrijdag 30 november 2007

'Vrouwen -- o, wat een edele schepselen!'

Meredith_2 There she was--not changed a bit!--looking lovelier than ever! And when she saw me, I knew in a minute that she must love me till death!--You don't know what it is yet, Rip!--Will you believe, it?--Though I was as sure she loved me and had been true as steel, as that I shall see her to-night, I spoke bitterly to her.
And she bore it meekly--she looked like a saint. I told her there was but one hope of life for me--she must prove she was true, and as I give up all, so must she. I don't know what I said. The thought of losing her made me mad. She tried to plead with me to wait--it was for my sake, I know. I pretended, like a miserable hypocrite, that she did not love me at all. I think I said shameful things. Oh what noble creatures women are! She hardly had strength to move. I took her to that place where you found us, Rip! she went down on her knees to me, I never dreamed of anything in life so lovely as she looked then. Her eyes were thrown up, bright with a crowd of tears--her dark brows bent together, like Pain and Beauty meeting in one; and her glorious golden hair swept off her shoulders as she hung forward to my hands.--Could I lose such a prize.--If anything could have persuaded me, would not that?--I thought of Dante's Madonna--Guido's Magdalen.
--Is there sin in it? I see none! And if there is, it's all mine! I swear she's spotless of a thought of sin. I see her very soul? Cease to love her? Who dares ask me? Cease to love her? Why, I live on her!--To see her little chin straining up from her throat, as she knelt to me!--there was one curl that fell across her throat...


(Uit: George Meredith, The Ordeal of Richard Feverel)

donderdag 22 november 2007

Schopenhauers stekelvarkens

SchopenhauerArthur Schopenhauer (geboren op 22 februari 1788 in Danzig, gestorven op 21 september 1860 in Frankfurt am Main) is één van de prominente wijsgeren, dat is bekend. Minder bekend is dat hij ook als een grootmeester van de Duitse taal geldt. (Zijn familie, kooplieden, had overigens haar wortels in Nederland. 'Mijn vader, Heinrich Floris, sprak nog heel goed Nederlands. Ik echter in het geheel niet,' schreef hij in 1857).

Schopenhauer heeft niet alleen filosofische maar ook bellettristische werken nagelaten. Hier is een parabel van zijn hand.

DE STEKELVARKENS

Een groep stekelvarkens schurkte op een koude winterdag lekker dicht aaneen om zich door elkaars warmte te beschutten tegen bevriezing. Zij voelden echter dra elkaars stekels, wat hen dan weer van elkaar verwijderde. Wanneer de behoefte aan warmte hen nu wederom samenbracht, herhaalde zich het tweede euvel, met het gevolg dat zij tussen beide aandoeningen heen en weer geslingerd werden, tot zij een optimale afstand van elkaar hadden gevonden, waar zij het 't best konden uithouden.

Zo drijft de maatschappelijke behoefte, ontsproten uit de leegte en de monotonie van het eigen innerlijk, de mensen tot elkaar; maar hun talrijke akelige eigenschappen en onuitstaanbare kwalijke kanten jagen hen weer uiteen. De optimale afstand, die zij uiteindelijk vinden en die samenleven mogelijk maakt, wordt gevormd door hoffelijkheid en goede manieren. Degenen die de bedoelde afstand niet respecteren, roept men in Engeland toe: keep your distance! Op deze wijze wordt de behoefte aan wederzijdse verwarming weliswaar slechts in onvolkomen mate bevredigd, maar worden de prikkels van de stekels niet gevoeld.

Wie echter veel eigen, inwendige warmte bezit, doet er goed aan de samenleving te mijden, teneinde geen overlast te berokkenen noch te moeten incasseren.

vrijdag 16 november 2007

Nabrander over Maarten 't Hart

T_hart_1Bertie en Hermieneke (zie hun reacties op mijn vorig logje) ken ik weliswaar niet persoonlijk, maar het lijken me echte lieverds. Ze zijn te aardig om mij wegens mijn stukje over Maarten 't Hart te beknorren en mij op hoge toon aan te raden op mijn tellen te passen. Hebt dank, meiden! Onder mijn bars uiterlijk -- een kerel met wie het kwaad kersen eten is -- verbergt zich namelijk een tedere inborst en er hoeft mij maar weinig kille tegenwind in het gelaat te slaan of ik moet in therapie. En dan zit ik daar, in een met functionele tinten beschilderd zaaltje, te pogen euritmisch mijn voetzolen in mijn kruis te leggen en een fluitje te snijden uit een antroposofische wilgentak.

Zowel Hermieneke als Bertie onthult mij dat Maarten 't Hart haar lievelingsschrijver is. De boodschap is duidelijk: ik moet het niet te bont maken. Nu, verre van mij die afschuwelijke gedachte! Ik heb De zaterdagvliegers zij het niet in één, dan toch in drie rukken uitgelezen. De fijne humor en de weldadige ironie gaan er bij mij in als Gods woord in een ouderling. Ik heb slechts willen betogen dat de onderhavige bundel (tot welk werk ik me heb beperkt) niet vrij is van een zekere Hollandse kneuterigheid en dat ik de brede zwaai van de kapitale zijnsvragen met het amechtig, getourmenteerd en voor mijn part vertwijfeld zoeken naar antwoorden mis. Er zijn wel aanzetten hiertoe te ontdekken, maar een royale behandeling hier en daar had de bundel op een hoger plan kunnen tillen.

Hermieneke heeft de indruk dat ik een hekel heb aan Simon Vestdijk. Dat is echt niet het geval. Ik heb welgeteld drieëntwintig werken van de man, waarvan ik verreweg de meeste -- romans, opstellen, verzamelingen korte verhalen -- ook heb gelezen en ik houd hem voor één van de beste Nederlandse auteurs. Maar ik blijf vinden dat hij er verkeerd aan deed vaak te schrijven bij wijze van arbeidstherapie, het niet kon opbrengen streng te schrappen en rijp en groen naar de uitgever stuurde.

Terug naar vriend Maarten. Bij Bertie is een aardige bijdrage over slotzinnen te lezen (klik) . Laat ik nu een bijzonder fraaie hebben gevonden in Het Muiderslot, één van de twaalf verhalen uit de genoemde bundel. Het gaat over een muskusrattenvanger die elke dag wacht op het voorbijkomen van een afgeleefd mannetje dat niemand kwaad doet en waarmee geen wijfje nog wil paren: 'Nee, ik kan en wil hem niet vangen, ik kom hier elke avond om te zien of hij nog leeft en elke avond gaat er even een schok van vreugde door me heen als ik zie dat hij er nog is -- dan denk ik: het kan er toch nooit zo slecht met de wereld voorstaan als de meerkoeten nog uitwijken voor een oude, eenzame man en als die man dan nog een plekje weet te vinden waar hij kan overnachten.'

donderdag 15 november 2007

Maarten 't Hart: ouderlingen en poldersloten

T_hartHet was al twee lustra of daaromtrent geleden dat ik iets van Maarten 't Hart had gelezen en dus greep ik schielijk toe, toen ik in de boekenhoek van onze kringloopwinkel zijn tweede verhalenbundel, De zaterdagvliegers, zag staan.

Wekt J.J. Voskuil bij mij de indruk dat het universum bestaat uit plakband, potloodslijpers en paperclipsen, de wereld van 't Hart is, althans in het onderhavige boek, huisbakken, soms zelfs binnenhuisbakken, afgebakend als zij is door het dak van de rioolbemaling en de duiker in een poldersloot. (Die andere Maarten, de aanzienlijk minder begaafde Biesheuvel, heeft er ook een handje van. Misschien hebben we hier eindelijk een karakteristiek van de Nederlandse identiteit bij de kop). Wat verderop wordt geloofd en gehoopt, bemind en gehaat, gedacht en gezegd, door denkers en doeners, door zangers en zeikerds, door burgers, boeren en buitenlui, komt niet binnen 't Harts vizier.

Maar binnen zijn beperking weet hij pakkende verhalen te leveren. Niet steeds overigens; Onder de witte knop bijvoorbeeld, dat volgens de verantwoording achterin sinds zijn publicatie in Tirade van februari 1980 'voor deze uitgave ingrijpend bewerkt en ingekort' is, blijft een niemendalletje.

Schrijven kan 't Hart! Lees bijvoorbeeld deze passage uit het laatste verhaal, De zaterdagvliegers: 'Slechts Clazien was overdag twee- à driemaal te zien. Haar gedrongen gestalte zag eruit als een rechtopstaande veilingkist; op haar kubusvormig hoofdje stond een zwart plat hoedje dat mij altijd deed denken aan de omgekeerde asla van een potkachel, en daaronder leken haar ogen net twee ivoorwitte dobbelstenen waarmee men één had gegooid. Onder de zwarte stippen van haar pupillen zette haar mond onverbiddellijk een rechte streep.'

Ik voor mij vind 't Hart op zijn best, wanneer hij put uit zijn gereformeerd verleden, met zijn gewijde schrijvers, zijn dominees, zijn ouderlingen en zijn gemeenteleden, van wie ook de laatsten zich uiten in de tale Kanaäns. In het meesterlijke Een nachtgezicht, zonder meer mijn favoriet, voert hij een grijzende kerkganger op, wiens vrouw hem slechts twee keer heeft toegestaan met haar van de zwengel te aan. De man zoekt compensatie in een hobby als pottenbakker en vertrouwt een toevallige gesprekspartner toe: " 'Ik heb me toegelegd op het vrouwelijk naakt, omdat het Hooglied dat prijst als de meest onbedorven schat op aarde, maar ik heb het toch netjes gehouden.'
'En dit dan?' vroeg ik, wijzend naar een beeldje van een vrouw die haar handen voor haar schaamstreek hield, maar waarvan de borsten wel te zien waren.
'Dat mag,' zei hij, 'de profeet zegt juist: gij zult onrein houden het bedeksel en overtreksel van uw beelden en gij zult ze wegwerpen als een maanstondig kleed en tot elk daarvan zeggen: henen uit'."